Opkomend ziektebeeld bij gespeende biggen
Sinds eind 2024 worden meldingen verzameld van een nieuw ziektebeeld bij varkens. Initieel werden ze gedetecteerd via bestaande monitoringsprogramma’s, maar sinds de tweede helft van 2025 ook door onze artsen. De eerste signalen kwamen voornamelijk uit het zuiden van Nederland, maar intussen worden dus ook in België gelijkaardige klinische observaties gemeld. De etiologie is op dit moment nog niet volledig opgehelderd, maar het vergelijkbare klinische beeld bij bedrijven benadrukt de nood aan blijvende waakzaamheid en verdere opvolging.

Observaties
Tot op heden worden de afwijkingen voornamelijk vastgesteld bij gespeende biggen, al zag ons team ook afwijkingen in de kraamstal vanaf de leeftijd van ongeveer 2 weken. Drachtige zeugen vertonen echter geen symptomen. Overdracht van zeug naar big lijkt daardoor weinig waarschijnlijk, al kan dit voorlopig niet definitief worden uitgesloten.
Op bedrijfsniveau valt op dat het ziektebeeld zich niet beperkt tot uiterlijke afwijkingen. In meerdere gevallen rapporteren bedrijven een toename van ongemakken in de biggenstal. Alles verloopt trager en moeizamer, zonder dat er sprake is van acute ziekte. Dit vertaalt zich onder meer in:
- een lichte stijging van de biggensterfte
- een verhoogd uitvalspercentage over de volledige ronde
- een toename van het aandeel restbiggen
Deze effecten zijn vaak beperkt in absolute cijfers, maar wegen door hun persistentie merkbaar op de technische en economische resultaten van het varkensbedrijf.
Het klinische beeld
Het klinische beeld blijft relatief consistent tussen bedrijven, met variatie in ernst.
Waargenomen symptomen omvatten:
- haarverlies
- roodheid van de huid
- een verzonken ruglijn
- licht uitpuilende oogbollen
- meer roetbiggen
Opvallend is dat de toename van huidaandoeningen niet noodzakelijk gepaard gaat met ernstigere kliniek bij deze dieren. De huidletsels lijken eerder onderdeel van een breder, aspecifiek ziektebeeld dan een afzonderlijk probleem. Systemische ziekteverschijnselen blijven doorgaans beperkt, wat de interpretatie bemoeilijkt.

Hypothese rond virale betrokkenheid
Op basis van lopend onderzoek bestaat er een vermoeden van betrokkenheid van een parvovirusvariant die genetisch verwant zou zijn aan een parvovirus dat eerder bij vossen werd beschreven. Dit heeft geleid tot de hypothese dat vossen mogelijk een rol spelen bij de verspreiding van het virus via kleine luchtdeeltjes.
Belangrijk is dat standaard PCR-testen voor het klassieke varkensparvovirus type 1 negatief blijven. Dit maakt betrokkenheid van PPV1 onwaarschijnlijk en wijst eerder in de richting van een andere, mogelijk nieuwe variant waarvoor routinetesten momenteel ontoereikend zijn. Verdere virologische karakterisering en validatie van aangepaste diagnostiek zijn noodzakelijk.
Verloop in de tijd en mogelijke immuniteitsopbouw
Een terugkerende observatie is dat het ziektebeeld tijdelijk opspeelt in bedrijven en nadien weer afneemt. In verschillende gevallen zien we dat de klinische verschijnselen en de bijkomende bedrijfsimpact na ongeveer vier maanden duidelijk verminderen. Dit ondersteunt onze piste van een opbouw van bedrijfsspecifieke immuniteit, al moet dit nog verder bevestigd worden.
Dit verloop verklaart mogelijk waarom het probleem aanvankelijk uitgesproken aanwezig is, maar nadien minder zichtbaar wordt, zelfs zonder specifieke interventies.
Behandeling en managementaanpak
Er bestaat op dit moment geen causale of gerichte behandeling. De aanpak blijft ondersteunend en gericht op dierenwelzijn. In sommige situaties wordt tijdelijk gebruikgemaakt van ontstekingsremmers om ongemakken te beperken, zonder dat dit het ziekteverloop wezenlijk beïnvloedt.
Vanuit managementoogpunt ligt de nadruk op:
- nauwgezette observatie en registratie van klinische signalen
- opvolging van procentuele sterfte, uitval en restbiggen
- vermijden van overbehandeling en bijkomende stressfactoren
- kritisch evalueren van hygiëne en bioveiligheid
Een afwachtende maar alerte houding blijft aangewezen.
Belang van meldingen en sectorbrede gegevensdeling
Gezien de beperkte kennis over oorzaak, ontwikkeling en overdracht blijft het verzamelen van praktijkdata essentieel. Meldingen helpen om beter zicht te krijgen op:
- geografische verspreiding
- variatie in klinische impact
- tijdsduur van het ziektebeeld per bedrijf
- mogelijke rol van omgevingsfactoren
Samenwerking tussen praktijkdierenartsen, diagnostische labo’s, onderzoeksinstellingen en andere sectorpartners vormt hierbij een cruciale pijler.

Opvolging binnen ons team
Wij volgen deze ontwikkeling actief op via praktijkwaarnemingen, overleg met collega’s en contacten met diagnostische en onderzoekspartners. Nieuwe informatie wordt kritisch geëvalueerd en pas gecommuniceerd wanneer ze voldoende onderbouwd is. De huidige focus ligt op waakzaamheid, correcte interpretatie en het vermijden van onnodige onrust.
Conclusie
Het beschreven ziektebeeld bij gespeende biggen vertegenwoordigt een nieuw en complex fenomeen binnen de varkenssector. Hoewel de klinische verschijnselen vaak tijdelijk lijken en spontaan afnemen, tonen de bijkomende effecten op sterfte, uitval en uniformiteit aan dat de impact reëel is. Verdere monitoring, onderzoek en open gegevensdeling blijven noodzakelijk om dit ziektebeeld beter te begrijpen en op termijn gerichter te kunnen begeleiden.


